Kapitaalverzekering - Polisbelening/premiefinanciering kapitaalverzekering

Beleidsmededeling Staatssecretaris van Financiën van 13 maart 1992, nr. DB92/15

De staatssecretaris deelt het volgende mede.

Uit vragen vanuit de Belastingdienst en de adviespraktijk is mij gebleken dat er onduidelijkheden bestaan over de verhouding tussen het beleid voor de bestrijding van zogenoemde constructies van polisbelening casu quo premiefinanciering en HR 4 mei 1988, BNB 1988/254, gevolgd door de verwijzingsuitspraak Hof Amsterdam 12 december 1989, gepubliceerd in Infobulletin 1990/318. Dit beleid is erop gericht te voorkomen dat het inkomen door middel van rente-aftrek naar willekeur van de belastingplichtige kan worden verminderd, waartegenover een in het algemeen onbelaste rente-opbrengst op een kapitaalverzekering staat. Hierna geef ik mijn antwoord op de gestelde vragen weer.

Beleid voor bestrijding van polisbeleningsconstructies.

Het beleid met betrekking tot de bestrijding van zogenoemde polisbeleningsconstructies is neergelegd in de resolutie van 10 september 1987, nr. DB87/5692, gepubliceerd in V-N 1987, blz. 2070. In die resolutie wordt de polisbeleningsconstructie omschreven als een samenstel van een kapitaalverzekering en een overeenkomst van geldlening, waarbij de ter zake van de verzekering verschuldigde premies (voor een deel) worden voldaan door middel van de geldlening en de ter zake van de geldlening verschuldigde rente eveneens (voor een deel) wordt geleend.

Het in de genoemde resolutie neergelegde beleid komt erop neer dat primair op grond van een interpretatie van de feiten de stelling wordt ingenomen dat voor zover premies van kapitaalverzekeringen alsmede rente op met die verzekeringen samenhangende geldleningen worden gefinancierd, de leningen als niet-bestaand worden beschouwd en de rente ter zake van die leningen niet in aftrek kan komen. Met andere woorden, de als leningen geduide bedragen dienen slechts als rekengrootheid voor het berekenen van de werkelijk beoogde kapitaalsuitkering, welke derhalve neerkomt op het in de polis(sen) genoemde verzekerd kapitaal vermeerderd met eventuele winstbijschrijvingen en verminderd met het eindbedrag van de geldleningen. Deze stelling is gebaseerd op HR 4 februari 1987, BNB 1987/160, waarin de door het Hof op de hiervoor geschetste wijze gegeven interpretatie van de feiten door de HR is aanvaard zodat niet werd toegekomen aan de toepassing van het bijzondere rechtsmiddel van de richtige heffing.

Subsidiair dient met betrekking tot polisbeleningsconstructies de stelling te worden ingenomen dat verijdeling van de belastingheffing de doorslaggevende beweegreden is geweest en dat doel en strekking van de Wet zouden worden miskend indien de verschuldigde renten in aftrek zouden worden toegelaten (wetsontduiking).

Jurisprudentie geen aanleiding tot wijziging van primaire stelling.

In de casus van HR 4 mei 1988, BNB 1988/254, gevolgd door de verwijzingsuitspraak Hof Amsterdam 12 december 1989, gepubliceerd in Infobulletin 1990/318, betrof het een polisbeleningsconstructie ter zake waarvan Hof 's-Gravenhage niet tot de feitelijke vaststelling was gekomen dat de geldleningen slechts een rekengrootheid waren, doch ter zake waarvan dit Hof concludeerde dat de betaalde renten op grond van richtige heffing niet voor aftrek in aanmerking konden komen.

Aangezien het Hof feitelijk had vastgesteld dat voor de desbetreffende verzekeringnemer een aanzienlijke overlijdenskans 7,03% bestond, had het Hof volgens de HR zonder nadere motivering niet mogen beslissen dat andere beweegredenen dan verijdeling van belastingheffing geen meer dan bijkomstige rol hadden gespeeld (de belastingplichtige had aangevoerd dat hij de verzekeringen mede had gesloten om een weduwenvoorziening te treffen).

Na verwijzing door de HR besliste Hof Amsterdam in zijn uitspraak van 12 december 1989 dat aannemelijk is geworden dat het treffen van een weduwenvoorziening voor de belastingplichtige een motief van meer dan bijkomstig gewicht is geweest bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomst en dat een ongunstig resultaat van de transacties redelijkerwijs niet kon worden voorzien. Opgemerkt zij dat in het berechte geval de belastingplichtige in samenhang met de gebruikelijke gemengde verzekering op zijn leven nog een aanvullende overlijdensrisicoverzekering van f 100.000 voor het geval van overlijden door een ongeval en een invaliditeitsverzekering van f 100.000 had afgesloten. Van het instellen van beroep in cassatie is dezerzijds afgezien gelet op het sterk feitelijke karakter van de uitspraak.

Naar mijn oordeel heeft de hiervoor genoemde jurisprudentie geen gevolgen voor de primaire stelling voor de bestrijding van polisbeleningsconstructies zoals deze is neergelegd in de resolutie van 10 september 1987. Die stelling is immers gericht op een interpretatie van de feiten en niet op de toepassing van een bijzonder rechtsmiddel als richtige heffing of wetsontduiking. Het motief tot het aangaan van het samenstel van rechtshandeling is bij een interpretatie van de feiten immers niet aan de orde, zodat in beginsel ook geen betekenis toekomt aan een eventueel aanzienlijk overlijdensrisico voor de belastingplichtige. Ik merk op dat het stellen van een aanzienlijk overlijdensrisico door belastingplichtigen in twee uitspraken gedaan na HR 4 februari 1987, BNB 1987/160, niet in de weg heeft gestaan aan succesvolle bestrijding van de polisbeleningsconstructie op grond van de primaire stelling. Het betreft in dezen Hof Amsterdam 1 november 1989, FED 1990/358, en Hof 's-Gravenhage 29 oktober 1991, rolnr. 4989/86.

Gevolgen voor leerstuk van de wetsontduiking; premiefinanciering.

In de meergenoemde resolutie is nog een tweede wijze van bestrijding van polisbeleningsconstructies aangegeven, namelijk het beroep op het leerstuk van de wetsontduiking. Deze subsidiaire stelling zou aan de orde kunnen komen in situaties waarin het samenstel van rechtshandelingen zodanig is dat het Hof niet tot de feitelijke vaststelling kan komen dat de aangegane leningen in feite niet bestaan. Voorts zou dit het geval kunnen zijn in situaties waarin geen sprake is van polisbelening, doch waarin de premies voor de kapitaalverzekering(en) uit anderen hoofde geheel of gedeeltelijk worden gefinancierd.

Ook voor dergelijke situaties van premiefinanciering is het vast beleid dat deze worden bestreden met het leerstuk van de wetsontduiking.

Daaraan staat naar mijn oordeel niet in de weg dat de belastingplichtige de mogelijkheid had bijvoorbeeld op basis van de waarde van zijn eigen woning een lening tot een hoger bedrag aan te gaan of de premie uit eigen middelen te voldoen.

Voor de toepassing van het leerstuk van de wetsontduiking op situaties van polisbelening en van premiefinanciering in een concreet geval komt betekenis toe aan de beweegredenen van de belastingplichtige voor de in het geding zijnde rechtshandeling(en). Naar mijn oordeel kan een doorslaggevende beweegreden met betrekking tot zogenoemde gemengde verzekeringen uitkering verzekerd bij in leven zijn op een bepaalde datum en bij eerder overlijden in het algemeen niet bestaan uit het treffen van een nabestaandenvoorziening, al dan niet met het oog op een aanzienlijk overlijdensrisico. Indien daadwerkelijk een zodanige beweegreden zou bestaan voor het treffen van een nabestaandenvoorziening, zou in het algemeen niet de weg zijn gekozen van een gemengde verzekering doch van een overlijdensrisicoverzekering. Met het bedrag van de voor de gemengde verzekering verschuldigde premies zou immers een overlijdensrisicoverzekering kunnen worden bekostigd waarvan het verzekerd kapitaal een veelvoud zou bedragen van dat van de gemengde verzekering.

Dit spreekt nog meer in de situaties van polisbelening of premiefinanciering: het bedrag van de geldlening die in sterk overwegende mate betrekking heeft op het kapitaal dat bij in leven zijn is verzekerd vermindert immers de netto-uitkering bij overlijden. In feite zou een additionele premie dienen te worden voldaan teneinde de netto-uitkering bij overlijden op peil te houden gedurende de gehele looptijd van de gemengde verzekering. Met andere woorden, de weg van de financiering van de verschuldigde premies zou juist niet worden gekozen indien het treffen van een nabestaandenvoorziening de doorslaggevende beweegreden zou vormen voor het afsluiten van een gemengde verzekering. In dergelijke gevallen dient aan het treffen van nabestaandenvoorzieningen bij de beoordeling van de beweegreden voor de rechtshandeling(en) dan ook geen of slechts ondergeschikte betekenis te worden toegekend.

De hiervoor beschreven stelling houdt in dat wetsontduiking wordt toegepast op de financiering van de gemengde verzekering als geheel, dat wil zeggen zonder onderscheid te maken tussen financiering van de premies voor de daarin verzekerde kapitaalsuitkering bij in leven zijn op een bepaalde datum en de financiering van de premies voor andere daarin meeverzekerde voorzieningen zoals een verzekerde kapitaalsuitkering bij overlijden. Daarnaast dient naar mijn oordeel de stelling te worden ingenomen dat het leerstuk van de wetsontduiking louter dient te worden toegepast ten aanzien van de financiering van de premies voor de gemengde verzekering voor zover die betrekking hebben op de kapitaalsuitkering(en) verzekerd bij in leven zijn op een bepaalde datum. Voor zover de premies betrekking hebben op de nabestaandenvoorzieningen en eventuele andere voorzieningen, zoals een voor invaliditeit wordt wetsontduiking alsdan niet gesteld. Het gevolg van deze selectieve benadering is naar mijn oordeel dat aan de laatstgenoemde voorzieningen geen betekenis toekomt bij de beoordeling of wetsontduiking aan de orde kan komen met betrekking tot de financiering van de kapitaaluitkering(en) verzekerd bij in leven zijn op een bepaalde datum. Met andere woorden, voor de vaststelling van de doorslaggevende beweegreden van de belastingplichtige voor het financieren van de premies voor de verzekerde kapitaalsuitkering bij in leven zijn op een bepaalde datum, kan het motief om een nabestaandenvoorziening of een andere onheilsvoorziening te treffen niet aan de orde zijn. Het argument voor deze selectieve benadering is dat de premie voor de nabestaandenvoorzieningen in een gemengde verzekering in het algemeen in rekenkundig opzicht slechts een ondergeschikte component van de totale premie voor die verzekering vormt zodat het onjuist zou zijn daaraan enige betekenis toe te kennen voor de beoordeling van de financiering van de premies voor de kapitaalsuitkering(en) bij in leven zijn.